Rondgang door de Kathedraal



 

Wie vanuit het zuiden door het veelvoudig Romaanse portaal in de Porticus komt, staat in de jongste kamer van de domkerk, een kostbaarheid van middeleuwse baksteen-bouwkunst. De kamer vormt de afsluiting en kroon van het gehele bouwwerk (omstreeks 1220 voltooid). De stenen plaat aan de muur verwijst op de domstichting door Hendrik de Leeuw. Een prachtige middele pijler bestaand uit vier halve zuilen draagt de gewelven. In de oosterlijke muur bevindt zich een kleine apsis waar in de middeleeuwen een Maria altaar stond. De domkerk is Maria en Johannes de Evangelist toegewijd. Het orgel (Becker/Kupfermühle) aan de zuidzijde is 1985 in gebruik genomen.


A.u.b. klick op de kleine foto's om een groter beeld te laden!

   
   
   
   




 

Als het evenzeer rijk ingedeelde hoofdportaal van de kerk is doorlopen staat men eerst in de torenhal. Vanuit hier is het langhuis in de warme baksteenverven en de wit beraapte gewelven te zien. De dikke muren in het westen – oorspronkelijk voor een tweedeurige aanleg gepland – dragen de machtige toren, de „wachter“ tegen duisternis en ondergang. Ten oosten openen zich in het halfrond van de apsis drie boogconstructie-vensters het opgaande licht tegemoet. De door de bogen verbonden pijlers (met verschillende pijler-kanten) accentueren de weg-karakter van de Romaanse kerk: De weg wijst uit het donker naar het licht.

 

 

Het triomfkruis met Maria en Johannes uit de late Romaanse tijd (omstreeks 1260) onder de ingangsboog van het dwarsschip domineert ruimte en weg. Een kijk op de eerste twee geweldige pijlers rechterhand en linkerhand betoont de levendigheid van het vaste baksteenmuurwerk. Het was in het gehele domkerk weer vrijgelegd.
Het machtige triomfkruis met Christus, Maria und Johannes betoont optisch deze weg tot het licht. Het is afkomstig uit late Romaanse tijd en wordt gedateerd op omstreeks 1260. Als u op de volumineuze pijler kijkt, kunt u de machtigheid en sterkte van deze muursteun vermoeden. De pijlers waren tot de grote restauratie in de jaren 1953 tot 1966 wit gestukadoord.

 



 

Als men door het middenschip de altaar naar toe loopt, valt in het muurwerk van de vensterzone een „bouwnaad“ op. Waarschijnlijk moest hier het werk dat met de koor in het oosten was begonnen een tijdje stoppen voordat men – met een ander gekleurde baksteen – verder kon bouwen. Dit is geen ongewoonde gebeurtenis voor kerkgebouwen in de middeleeuwen. In de domkerk te Ratzeburg leidde een relatief korte bouwtijd tussen omstreeks 1160 en 1220 tot een relatief gelijke verschijningsvorm van de architectonische elementen.


 

De noordelijke pijler aan de eerste van in geheel zeven traptreden tot de altaar draagt de preekstoel met rijke beeldsnijkunst door Hinrich Matthes (1576, Noordduitse Renaissance). Het reliëfbeeld aan de achterwand verbeeldt de eerste Lutheraanse pastoor van de domkerk, Georg Usler. Het wekt de indruk dat hij in levenden lijve daarboven staat.


 

   


 



 



 

De viering, de doordringing van lang- en dwarsschip, vormt het architectonisch midden. Het biedt geweldige indrukken van ruimte voor het oog. Hier staat onder meer het koorgestoelte, in zijn oorspronkelijke delen het oudste van Noordduitsland (omstreeks 1200). Zijn strenge vormen zijn versierd met ornamentele houtsneden.


 


 

Het koororgel (Rieger/Oostenrijk) is in 1972 geplaatst. Verder bevinden zich in de viering een bronzen doopsteen van 1440, een bronzen Paas-luchter (Fritz Fleer 1967) en een bronzen lessenaar (Karl-Heinz Goedtke 1975). In de diepte onder de stenen grond bevindt zich een grafkelder (geen krypte) met lijkkisten van de Lauenburgse hertogsfamile (niet toegankelijk).

Het koorkwadraat is door een gespannen touw van het toegankelijke deel van het kerkgebouw afgescheurd, maar bezoekers kunnen vanuit hier heel goed de aan de twee koormuren geplaatsten Gotische drie-zitsbanken met rijke houtsnijwerk bekijken. De oudere stoel draagt op de zijpanelen een uitbeelding van de »boom van Jesse« en een bisschopspostuur onder een eik.


 

   
   
   


 

Vanaf de drie-zitsbanken voert de blik verder naar het altaar, die aan de grens naar de apsis opgesteld is. Het is de oorspronkelijke altaar van de kerk. Zijn gemetselde fundament uit veldstenen kwam 1962 tijdens het dieper-leggen van de koorbodem na verloop van de afgraving van het barokke altaar,, te voorschijn. Hij was opnieuw beraapt en met een in de kerk aanwezige laatgotische altaarretabel in vorm van een vleugelschrijn verbonden. Aan deze oude schrijn worden, vanwege zijn lot vol afwisseling, al 1634 delen uit verschillende tijden toegevoegd: Het middenpand beinhoudt een passionplaat, omstreeks 1430 »uit een steen rotgegraven« (hoog reliëf), erover staat als overheersend figuur een in zilver geslagende »Salvator mundi« (wereldbevrijder). Uit een barokke figuur-cyclus van 1634 stond de »Salvator mundi« alleen een diefstal door. In de vleugels staan houtgesneden figuren van apostels en heiligen, bemaald en vergold, uit Gotische tijd.


 

   
   

 

Keert de blik terug, ziet men aan de westmuur het nieuwe orgel (Rieger/Oostenrijk 1978). Voor het laatste gewelftravee hangt de grote messing-kroonluchter van 1674 met een dubbele kruisbeeld als kroning. De vier kleine vensters en de grote roosvenster in de wand van de toren zijn een stichting van de familie von Bülow (1969).

 


 

Van het noordelijke dwarshuis voert een portaal in het oudste deel van de kruisgang. Erover hangt het hoge epitaph van Herzog (hertog) August von Sachsen-Lauenburg en zijn vrouw (G. Titge 1649). Van hier zijn ook de aan de rugwand van de koorstoelen geplaatsten rijk gesneden wapenen van de domheren te zien, die van vroegere domkapittelstoelen afkomstig zijn (gelijk ook in het zuidelijke dwarshuis).

In het aansluitende noorderlijke koor op de zijde (tongewelf) is de kleine ingang tot de sacristie uit de Romaanse periode weer ontdekt en geopend. De Ansverustafel (1681) aan de wand geeft in twaalf beelden het legendarische levensverhaal van de abt uit het klooster St. Georgsberg weer. Hij is in 1066 gestenigd, later is hij heilig verklaard en als martelaar vereerd. Zijn gebeente zijn in de domkerk begraven. Op zijn 900ste sterfdag (15 juli 1966) is de domkerk na de voltooing van de jongste restauratie in een feestelijke eredienst weer ingehuldigd.


 


 

De weg terug door het zuidelijke zijschip voert voorbij aan de Lauenburgse »kapel« met het hertogsgestoelte van 1637 (oorspronkelijk Catharinakapel, late 14de eeuw).



 



 

Bij het bereiken van de laatste pijler is aan de muur van het noordelijke zijschip tegenover een Gotisch portaal te zien. Overheen is een oude rondboogvenster te zien dat in 1963 is vrijgelegd en een voorstelling geeft van de oorsprongkelijke locatie van de zijvensters. Daar eindigt het westelijke deel van de kruisgang, die jammer genoeg niet is bewaard. De weer toegankelijke eerste deel van de kamer omvat tentoongestelde stukken, die zich vroeger in de domkerk bevonden: vitrines met bewijzen van het verleden van het bisdom (oorkonde, bisschopszegel, liturgische gewaden).


 



 

Voordat men de kerk weer verlaat, ontmoet de blik in de kleurvolle vensters aan de westelijke wand (eind 19de eeuw) twee gestalten die met hun gemalinnen zijn verbeeld: Hendrik de Leeuw en Groothertog Friedrich Wilhelm van Mecklenburg-Strelitz. De twee personen zijn dicht met de geschiedenis van de domkerk verbonden (foto rechtsboven: detail van het venster met Hendrik de Leeuw als stichter met een schaalmodel van de domkerk te Ratzeburg in zijn rechterhand).


* * *

Deze beschrijvende rondgang is partieel gebaseerd op het gedrukt informatieblad: Führer durch den Ratzeburger Dom, uitgegeven van "Verein der Freunde des Ratzeburger Domes e. V." Tekst: Ingeborg Hildebrandt en Horst Otto Müller. 2010. Vertaling door Birgit Baumann, Bad Bentheim, 2014.